Statuut en verloning

Om zijn onafhankelijkheid te garanderen, kreeg het interfederaal Korps van de inspectie van financiën een apart personeelsstatuut op basis van art. 51 van de bijzondere wet van 16 januari 1989. Dit staat in feite los van het personeelsstatuut van de federale overheid, dat echter wel voor verschillende aspecten model stond.

Dit statuut van het interfederaal Korps is vervat in twee KB's:

  • KB van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën ( voor een PDF-versie: zie onderaan ).
    In dit eerste besluit worden de organen en de werking van het Korps geregeld, alsook de terbeschikkingstelling van de inspecteurs, het administratief statuut en de bezoldigings­regeling en tenslotte ook het administratief personeel en de middelen die ter beschikking van de inspecteurs van financiën worden gesteld.

  • KB 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de inspectie van Financiën en tot wijziging van het KB van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën ( voor een PDF-versie: klik hier ).

Dit besluit werkt het statuut verder uit en regelt onder meer de werving, de stage, de opleiding, de cumulatie van beroepsactiviteiten, de evaluatie, het geldelijk statuut, de tuchtregeling, de afwezigheden en de schorsing in het belang van de dienst ( PDF-versie hieronder ).

Wat betreft het geldelijk statuut is de loonschaal opgenomen in bijlage 1 van dit besluit. 

Een inspecteur kan aanspraak maken op de meeste premies en vergoedingen die aan de federale ambtenaren worden toegekend ( bijv. tweetaligheids­premie, fietsvergoeding... ).

BijlageGrootte
AR 28-04-1998 KB.pdf2 MB
Koninklijk besluit van 1 april 2003.pdf158.08 KB