Artikel 6 van het koninklijk besluit van 28.04.1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën, zoals gewijzigd, bepaalt in zijn §5: "De Raad stelt een deontologische code op. Deze code wordt door het Comité goedgekeurd". Momenteel wordt deze code ter goedkeuring aan het Comité voorgelegd.
Deze opdracht ligt in de lijn van een zeer algemeen streven naar een meer ethische werking van de overheidsdiensten.
Zeer algemeen steunen de principes op de plichten die voortvloeien uit onder meer de artikels 10 en 11 van het Statuut van de Rijks-ambtenaren, met vooral de nadruk op:
De inspecteur moet zich afzijdig houden van elk gedrag dat deze plichten schendt maar ook van elk gedrag dat de verdenking zou kunnen doen ontstaan dat de plichten in het gedrang zouden kunnen komen.
Elke inbreuk kan aanleiding geven tot tuchtsancties.
Artikel 46 van de gecoördineerde wetten van 17.07.1991 op de Rijkscomptabiliteit bepaalt: "De administratieve en begrotingscontrole wordt uitgeoefend door het ministerieel Comité voor begroting en de minister die de begroting onder zijn bevoegdheid heeft, bijgestaan door de inspecteurs van financiën, die de functie vervullen van budgettaire en financiële raadgever van de minister bij wie ze geaccrediteerd zijn”.
Artikel 51 van de bijzondere wet van 16.01.1989 (…) betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten voegt eraan toe: "De Gemeenschappen en de Gewesten organiseren een eigen administratieve- en begrotingscontrole en doen daartoe een beroep op inspecteurs van financiën die hen ter beschikking worden gesteld en onder hun gezag staan. De inspecteurs van financiën stellen hun verslagen op in volle onafhankelijkheid en delen deze alleen mee aan de regering waaronder ze ressorteren (…)".
De inspecteurs van financiën vervullen dus een driedubbele rol.
In de eerste plaats zijn ze de financiële en budgettaire raadgevers van de ministers bij wie ze zijn geaccrediteerd. In deze hoedanigheid handelen zij in naam en voor rekening van deze ministers.
Daarnaast staan zij als controleurs de ministers of de leden van de Regering bevoegd voor begroting en ambtenarenzaken, bij.
Tenslotte zijn zij, via rechtstreekse bevoegdheidstoekenning, belast met de controle van de ordonnateurs.
Het relatief gewicht van deze functies varieert volgens de Regering waarbij de inspecteur van financiën is geaccrediteerd.
De principes in deze code zijn van toepassing op de drie hoofdopdrachten van de Inspectie van financiën.
| Bijlage | Grootte |
|---|---|
| DEONTOLOGISCHE-CODE.pdf | 35.91 KB |